De kleur van de dag

‘Lieve schat, ik lig hier met de Bahabic van Marie op mijn bed in het ziekenhuis. Het is prachtig en stijlvol. Fijn om haar om me heen te hebben. Ik ben wel heel moe. Later meer’. Dit korte e-mailtje kreeg ik vorige week van mijn vriendin, de moeder van Marie.

En nu is ze dood. De vader van Marie belde me toen het ineens veel slechter ging. Haar zoon stuurde me een sms’je vanuit het ziekenhuis: ‘We zijn hier bij mama, ze is rustig aan het inslapen en heeft geen pijn’.

Ongelooflijk. Onlangs reisde ik nog naar Brussel en dronken we nog pro secco en proostten op het leven, op de vriendschap en de liefde. Spraken over de kleuren van India en de smaken van Italië. Het leven, dat er ondanks het verdriet om de dood van haar dochter toch ook nog was.

Bij de uitnodiging voor haar begrafenis staat dat wit “de kleur van de dag” is. Ik sta voor mijn kast en bedenk dat ik mijn vriendin mis, een deel van mijn jeugd, van mijn leven. Ik vraag me ook af wat ik in godsnaam aan moet. Zwarte jurkjes genoeg. Mooie schoenen voor daaronder ook. Maar wit? Midden in de winter?

Ik dwaal rond in de straatjes van Amsterdam op zoek naar iets wits waarover mijn vriendin tevreden zou zijn. Waarover ze me zou complimenteren in haar mooie Nederlands doorspekt met Franse woorden. Iets waarbij ik een van de kettingen die ze voor me maakte kan dragen. Iets dat er ook in de kerk onder mijn jas, die ook al niet wit is, mooi uit ziet. Iets waarmee ik helemaal naar Brussel kan reizen zonder te bevriezen of een longontsteking op te lopen.

In gedachten hoor ik haar lachen. Ze heeft het me nooit gemakkelijk gemaakt. En ook nu niet. Met ‘gemakkelijk’ hebben we alle twee heel weinig binding.

In de paskamers van de vele winkeltjes, tussen stapels kleding die het net niet is, zie ik haar geamuseerde blik voor me. Uiteindelijk koop ik een vrij excentriek licht blauw rokje en een blouseje. Niet helemaal wit en niet helemaal geschikt voor haar sjieke adellijke familie. En weer zie ik haar geamuseerde blik. Ze zal het fijn vinden dat ik mijn eigen gang ga, me net niet aan ga passen, zonder dat iemand het zal merken, het zal iets zijn tussen haar en mij.

Het stapeltje kleding voor de begrafenis ligt klaar. Ik ga haar man en zoon over een poosje vragen om me wat kleding van haar te geven. Dan ga ik die met dit gekke rokje verwerken in een Bahabic. Een herinneringsdoek aan haar, aan ons.

De begrafenis was goed. Mijn zus troostte me en we werden door de familie met open armen ontvangen. Bij de koffie en broodjes vertelde haar zoon dat ze het zo fijn had gevonden een Bahabic te laten maken met de kleding van haar dochter. Het maakte dat ze afreisde naar haar huis en samen met haar schoonzoon door de kleding van Marie ging. Daarna was ze erg bezig met welke kleuren bij elkaar passen, welke tekst er op geborduurd moest worden. Een mooi project dat maakte dat ze op een creatieve en scheppende manier kon rouwen. Iets heel moois met nieuwe combinaties maken van de herinneringen. Dat waren haar laatste maanden, en nu is ze weer samen met Marie. Die heeft haar maar 6 maanden hoeven missen. Dat is een troostrijke gedachte.